De Nieuwe Winkelstraat als “merk”

14 juli 2014
Rob Weiss

Jouw winkel staat in een warenhuis

Wist je dat? Jouw winkel staat in een warenhuis. Één groot warenhuis waar je slechts één onderdeeltje van bent. Een onderdeel van waarde, begrijp me niet verkeerd, maar voor jouw klanten ben je één van de shops in het warenhuis waar hij komt kopen. Probeer je eens voor te stellen dat je als consument zou gaan shoppen in het winkelgebied waar je winkel is gevestigd, je eigen stad. Je wil inspiratie opdoen, verleid worden, een lekker kopje koffie drinken en misschien nog ergens een hapje eten om de dag af te sluiten? Je wil dan als shoppende bezoeker van het winkelgebied weten wat je er kunt kopen, of er nog aanbiedingen zijn (zijn we gek op toch?) en of er naast winkelen nog meer te doen is?

Wij willen die klant. Die klant naar je winkelgebied krijgen; Daar zijn we bij gebaat toch? Meer bezoekers betekent namelijk meer omzet en daarom zijn we gaan ondernemen. Maar hoe krijg je nou meer bezoek?

Het warenhuis is een metafoor die ik je wil uitleggen, want hoe mooier kan het voorbeeld van een Bijenkorf voor een winkelgebied in relatie tot meer bezoek? Een warenhuis heeft een naam (de stad), een voordeur, verschillende shops-in-shop, medewerkers, een groot assortiment, heel veel verschillende merken en nog belangrijker, zij weet haar klanten precies te vertellen waarom ze bij de Bijenkorf moeten komen kopen en wanneer. Heb je een Bijenkorfkaart? Dan krijg je ‘exclusieve’ aanbiedingen. Heb je de nieuwe collectie nog niet gezien? Laat je inspireren door de nieuwsbrief. Zo heeft de Bijenkorf ook de 3 dwaze dagen. En dan bedoel ik echt dwaas hé? 3 dagen waarin aanbiedingen om de oren vliegen en dagen waaraan alleen een dwaas weerstand kan bieden. Het is er dan ook razend druk, op het gevaarlijke af (pas op die elleboog!).

De Bijenkorf is dus in staat om massa’s mensen door de voordeur heen te krijgen. De formule, 3 dwaze dagen, werkt.

Ik vraag me daarom af; Wie organiseert de 3 dwaze dagen? Ik stel me een, haast heroïsch, figuur voor, al dan niet met capeje, die precies weet welke klant voor welke verleiding zwicht. Een listig mens haast, die in de huid kan kruipen van kooplustige huismoeders en blasé yuppen en die precies weet welke snaar geraakt moet worden om de toestroom van bezoekers tot grote hoogten te doen stijgen. Deze ‘held’ (een filantroop haast), staat volledig in dienst van het groter geheel en zorgt er voor dat het niet onverdienstelijk is om onderdeel te zijn van het warenhuis.

Als ik deze ‘held’ even weer uit de metafoor trek zou ik hem wellicht ‘warenhuismanager’ noemen. Een manager die het reilen en zeilen van een warenhuis op zich neemt. Stel je nou eens voor dat jouw winkelgebied, je stad, een warenhuis zou zijn. Dat warenhuis zou dan ook een ‘warenhuismanager’ moeten hebben. Iemand die volledig in dienst staat van het gebied om activiteiten zoals de 3 dwaze dagen te organiseren. Kan je het je voorstellen? Het winkelgebied als bedrijf met een manager? Wat zou de rol van de winkelier dan zijn? En die van de ‘warenhuismanager’?

Zouden de winkeliers samen kunnen werken en zich (gaan) gedragen als warenhuis? Zou de ‘warenhuismanager’ de klant kunnen verleiden om door de ‘voordeur’ te stappen? En wie, en dat is altijd een heel belangrijke vraag, is er nou de kartrekker? Wie staat er aan het roer? Wie wast dit varkentje?

Ik kijk daarom uit naar een held, met een capje, die winkelgebieden redt door dwazer dan de 3 dwaze dagen te zijn en misschien wel heel veel bezoekers trekt door de juiste taal te spreken.

Bekijk meer blogs